"Wordt wakker!" riep een stem. Mary schrok zich wakker en zag daar Carlos staan, klaar met zijn wapen. "wat is er?" vroeg ze verward. "We worden aangevallen, maar ik weet niet door wie" zei Carlos en hij stak zijn hand uit om Mary omhoog te helpen. "Ik dacht dat je de planeet op levenstekens had gescand? " vroeg ze terwijl ze opstond. "Dat heb ik ook gedaan en er waren ook geen levenstekens toen ik scande" zei hij en hij liep naar de uitgang van het schip waarin ze overnachte. Mary bleef achter hem "Als er geen leven was hoe kan het dan dat we worden aangevallen?". "weet ik niet, het leken mensen. Het is nog te donker, maar elk moment komt de maan op en hebben we weer wat licht" zei Carlos. "Mensen? Maar dat kan niet, volgens de gevonden artefacten zou de mens hier duizenden jaren geleden uitgestorven zijn" zei Mary verward. Carlos draaide zich om naar Mary. "Blijkbaar kloppen die artefa….." Mary zag hoe Carlos met grof geweld uit de opening van het schip werd getrokken. Een fractie van een seconde dacht ze een gedaante van een man te zien die naar haar grijnsde.
Mary viel van de schrik achterover en kroop langzaam terug het schip in. (wat was dat?) dacht ze. Haar hart bonsde in haar keel en ze voelde de adrenaline door haar heen gaan. Een korte maar harde schreeuw liet haar schrikken. De schreeuw kwam van buiten het schip (Carlos) schoot door haar hoofd. Een tweede schreeuw liet al haar haartjes overeind springen. Ze werd steeds paniekeriger en keek snel en angstig om haar heen naar een plek waar ze zich kon verschuilen. (Ik moet hier weg) dacht ze. Langzaam stond ze op en liep richting de opening. In de verte zag ze verschillende gedaantes staan. Ze kon niet zien wie het waren, maar ze was niet van plan te blijven om erachter te komen. Zachtjes sloop ze naar buiten en probeerde ze richting het bos te gaan. Langzaam sluipt ze langs het schip af richting het bos. Aan het uiteinde van het schip keek ze nog even om. (gelukkig, ze hebben me niet gezien.) dacht ze en ze bekeek de route die ze moest nemen naar het bos. Als ze het snel en geluidloos kon doen, zouden ze haar niet opmerken. Ze keek nog een keer om, om te kijken of ze niet haar kant opkeken. Zodra ze zeker was dat ze het zou halen rende ze richting het bos. Ze probeerde zo zacht mogelijk te rennen. Door de duisternis viel ze bijna over een boomstam aan de rand van het bos. Behendig sprong ze eroverheen. Toen ze neerkwam hoorde ze een klein takje onder haar voeten kraken. (nee!) dacht ze. "Er is er nog een!" hoorde ze een stem in de verte zeggen. "Grijp 'm" zei een andere stem. Mary keek om en zag in de verte verschillende schimmen op haar afkomen.
Angst overnam haar en ze begon te rennen. De bomen schoten haar voorbij, takken sloegen haar in het gezicht waardoor ze enkele kleine wondjes opliep. Regelmatig keek ze achterom om te kijken of ze niet gevolgd werd. (Niet stoppen) dacht ze steeds. Bomen, takken en struiken schoten haar voorbij. (blijven rennen ze mogen me niet te pakken krijgen) dacht ze en keek weer achterom. In de verte zag ze de gedaantes aan komen snellen. Ze komen steeds dichterbij. Ze rende al zo hard als ze kon, maar toch kwamen ze dichterbij alsof het niets was. Haar ademhaling werd steeds dieper en zwaarder. Haar lichaam werd moe, ze kon niet meer. (Hou vol! JE MOET VOLHOUDEN) dacht ze vastberaden. Weer keek ze achterom en zag dat de andere haar al flink ingehaald hadden, nog zo'n twintig meter achter haar. (blijf rennen) dacht ze. Mary ontweek takken en zocht de snelste weg tussen de bomen door om aan haar belagers te ontkomen. Opeens kreeg Mary een zo'n harde duw in de rug dat ze van de grond af vloog en een paar meter verder op de grond belande. De klap in de rug had haar zodanig verzwakt dat ze niet meer kon opstaan.
Ze zette haar armen op de grond en duwde zichzelf omhoog. Zodra ze van de grond kwam voelde ze een harde klap in haar zij. Haar lucht werd uit haar longen geblazen en ze voelde hoe ze een aantal meter over de grond schoof. Toen ze tot stilstand kwam voelde ze de pijn opkomen. Versufd lag ze op de grond. Ze draaide zichzelf op de rug zodat ze tenminste nog kon zien wat er gebeurde. Zodra ze omhoog keek, keek ze recht tegen een van de andere aan. Ze kon zien hoe de andere uithaalde richting haar. Het was al te laat ze kon niet de slag niet meer ontwijken. Met een harde knal kwam de vuist van de ander tegen haar hoofd. Het werd lichtjes zwart voor de ogen, maar ze bleef bij bewustzijn. Door de pijn dat haar lichaam moest verdragen kon ze niets anders meer dan liggen en toe kijken.
Haar beeld was troebel, maar het leek een man. Groot, donker haar, zwarte kleding. Haar zicht was nog te troebel om duidelijk te kunnen zien wie het was. "Rustig maar, ze is neer." Hoorde ze iemand anders zeggen. Achter de man zag ze nog eens drie gedaantes tevoorschijn komen. "Ik zie geen brandmerk" hoorde ze een ander zeggen. "Hoe kan dat nou? Die andere had het ook al niet. Ik dacht dat we iedereen hadden" zei weer een ander. De man die haar had gevloerd kwam dichterbij en boog over haar heen. Haar zicht begon al langzaam beter te worden, maar ze kon het gezicht nog niet duidelijk zien.
De man ging over haar heen hangen en bekeek haar eens aandachtig. "Wie ben jij, meisje?" zei hij met een verbaasd gezicht. De ogen van de man zo zwart als de nacht. Maar ergens in die ogen scheen een soort van gloed. Zoiets had ze nog nooit gezien. Angstig keek ze in de ogen van de man. "Neem haar mee!" riep hij terwijl hij zich omdraaide en wegliep. Mary zag hoe twee andere dichterbij kwamen. (Nee!) dacht ze en ze wilde wegkruipen maar ze was nog te versuft om daadwerkelijk weg te kunnen kruipen. "Kijk ze probeert te vluchten" zei de een. Weer een ander kwam langzaam dichterbij. Mary duwde haar hoofd weg van de man in de hoop hem niet aan te hoeven kijken. "Wees niet bang, we doen je niets"zei hij. "Ze zullen je niets doen" herhaalde hij nog een keer. Mary nog steeds gegrepen door angst draaide langzaam haar hoofd. Langzaam maar zeker zag ze een van de mannen naast haar gehurkt zitten. "Goed zo" zei hij en hij stond op. Ze zag hoe de schoenzool van de man richting haar hoofd kwam. Met een harde knal kwam de schoen tegen haar schedel, ze voelde een seconde van pijn en toen werd het zwart voor haar ogen.
Langzaam deed Mary haar ogen open. Ze voelde zo'n ontzettende hoofdpijn. Ze wilde eigenlijk niets anders dan opstaan en weglopen. Toen haar zich scherper werd zag ze dat ze niet meer buiten was. Ze lag ergens in een grot of zoiets. "Ze is weer bij" riep een stem naast haar. Het leek wel of die stem voor eeuwig door haar hoofd bleef echoën. Ze probeerde overeind te komen maar haar hoofd bonsde zo hard dat ze gelijk bleef liggen. "Blijf liggen, je zult nog wel even last hebben van je hoofd" Zei een mannelijke stem naast haar. Ze draaide langzaam haar hoofd en ze zag daar een man zitten. Gekleed in vodden, stoppelbaard, lang haar en groene ogen. "Waar ben ik?"vroeg Mary. "Je bent gevangengenomen" zei de man en hij zuchtte diep. Hij keek op en lachte even "Waar zijn mijn manieren. Mijn naam is Tony" en hij legde een hand op haar schouders. Al dat gepraat deed Mary niet goed, ze kreeg meer last van haar hoofd. "Het is tijd om te rusten, wees niet bang wij waken over je" zei Tony. Op de een of andere manier voelde ze zich gerust en sloot ze haar ogen. Ze hoorde een stem nog iets zeggen voordat het weer zwart werd voor haar ogen: "Ze is een buitenstaander, Maar hoe komt ze hier."
Mary stond weer in haar schip en zag Carlos voor haar staan. Hij lachte haar toe en het leek alsof er niets aan de hand was. De zon kwam langzaam op en ze moest haar ogen dichtknijpen om te voorkomen dat ze verblind werdt. (heb ik alles gedroomd?) dacht ze bij zichzelf. "Sta je nog op of blijf je de hele dag slapen?" vroeg Carlos terwijl hij zijn bepakking bij elkaar pakte. Carlos keek haar aan en keek wat serieuzer " de artefacten vertalen zichzelf niet" zei hij en liep richting de opening van het schip. Mary kon zien hoe een donkere schim achter Carlos aanliep. "Carlos achter je!" riep ze maar het leek alsof Carlos haar niet hoorde. De schim draaide zich echter wel om en gaf een gemene lach naar haar. "NEE!" schreeuwde ze hard en ze zag hoe de schim zijn tanden in Carlos zette.
"NEE!" riep Mary luid toen ze opeens rechtop ging zitten. Opeens ontwaakte ze uit haar waas en zag ze dat ze niet meer in het schip was. Ze zag verschillende mensen haar aanstaren. Van de schrik kroop ze naar achteren tegen de muur en trok ze haar benen in. De mensen bleven kijken maar deden niets. "Wees niet bang, wij zullen je niets doen. hier ben je veilig, voor even dan" zei een man.
Ze keek langzaam rond en zag een groot grottenstelsel. Verward keek ze terug naar de man "Waar ben ik?" vroeg ze erg zachtjes. "Je bent nog steeds op de planeet" antwoordde de man. "Ze hebben je te pakken genomen en naar de grotten gebracht." Ging hij verder. Mary bleeft verward naar de man kijken. "Ik snap er niets van" zei ze. "Wij ook niet" zei de man "Er zou niemand meer leven aan het oppervlak volgens de anderen" ging hij verder. Verward bleef ze hem aankijken. "Waar zijn mijn manieren" zei de man. Hij stak zijn hand uit naar mary "Ik ben Tony en jij bent?" voorzichtig pakte Mary de hand van Tony vast en liet ze zich overeind helpen. "Ik ben Mary" zei op een wat minder verwarde toon. "Welkom" zei hij met een vriendelijke lach op zijn gezicht.
Toen ze eenmaal stond zag ze dat er nog wel duizenden mensen in deze grot zaten. Verbaasd keek ze rond. "ik moet je wat vragen" zei tony tegen haar. "Wat is er?" antwoorde ze. " Hoe heb je uit de handen van de andere weten te blijven voor al die jaren? Zijn er nog meer overlevende van de plaag aan het oppervlak?" vroeg hij. Mary stopte en keek hem aan "We zijn pas vorige week geland op deze planeet, onze scanners gaven geen levenstekens waar en volgens de artefacten die we vonden leeft de mens al duizenden jaren niet meer op deze planeet" antwoordde ze. "Is het alweer zo lang geleden" zei Tony met een bedroevende stem. "Sorry" reageerde Mary want ze had hem niet zo goed verstaan. "laat maar" antwoordde hij terug. Hij gebaarde haar verder te lopen. Samen liepen ze verder door de grotten. "Dus je komt vanuit de sterren" vroeg Tony. "ik kom van de planeet aarde af. Ik ben een archeoloog en op zoek naar andere beschavingen in het universum" zei ze. "zei je nou aarde?" vroeg Tony verbaasd. "ja, wat is daarmee?" vroeg Mary. Een soort van hoop kwam in de ogen van Tony tevoorschijn. Ze kon het duidelijk zien dat het iets los maakte in hem "wat is er?" vroeg ze nog een keer. Hij gebaarde haar zachtjes te zijn
"Volgens onze historicus is er duizenden jaren geleden vlak voor de plaag een schip uitgezonden naar een planeet die leefbaar zou zijn voor ons. De plaag eiste ongeveer zo'n vijfennegentig procent van de complete bevolking. Als een noodmaatregel hebben ze een grote groep gezonden mensen met een schip naar die planeet gestuurd om de hoop dat nog iets van onze bevolking zou overleven. We verloren al gauw de communicatie met het schip en we hebben al die jaren gedacht dat het ergens vergaan was. In de tussentijd is de plaag aan het muteren gegaan. Een kleine honderste van een procent van de geinfecteerde veranderde. Ze werden fysiek sterker, sneller en moordlustiger. Maar die mutatie had ook een bij-effect, ze konden geen gewoon eten meer verstaan en ze moesten leven op bloed van de mensen. De vampieren zoals wij ze noemen, begonnen het op te nemen tegen de regeringen. We konden ze niet aan, ze waren gewoon te sterk. Het enige waar de vampieren niet tegen bestand waren was zonlicht. We waren overdag veilig maar 's nachts viel de ene nederzetting na de ander. Het duurde ook niet lang voordat ze alles onder controle hadden. Iedereen die immuun was voor de ziekte werd gedood. De andere geinfecteerde waar de mutatie anders liep werden slaven gemaakt, wij missen de kracht en snelheid wat de vampieren wel hebben. We zijn net zo kwetsbaar voor het daglicht en hebben het eeuwige leven. We zijn niets anders dan vee voor ze, waar ze zich zo nu en dan mee voeden." Mary keek vol ongeloof naar Tony. Ze wist niet wat ze ervan moest geloven. Maar ergens diep van binnen voelde ze dat hij de waarheid sprak.
"Dus jij bent een van de verlorenen." Zei een stem achter Mary. "NEE!" hoorde ze Tony roepen. Ze zag hoe Tony zijn arm naar haar uitreikte en angstig keek. Ze wist niet wat er gebeurde, ze voelde een hand op haar schouder. Ze draaide haar hoofd en zag daar dezelfde persoon die haar in het bos had opgejaagd. Al die vreselijke beelden schoten weer door haar hoofd."NEEEE, TONY HELP MIJ" schreeuwde ze in paniek en ze probeerde hem van haar af te schudden. Tony probeerde haar nog vast te pakken, maar het was te laat. Ze schoot ze met een ongelofelijke snelheid achteruit. Ze zag nog hoe een andere vampier Tony vloerde. Ze probeerde zich los te wrikken maar ze werd stevig vastgehouden. Ze zag hoe de gangen en andere grotten haar voorbij schoten alsof ze in een razende trein zat. De grotten gingen opeens over in een meer op een kasteel lijkend interrieur. Alsof ze uit de kerkers was gehaald. Met een harde smak kwam ze tegen een muur. De klap wrong alle lucht uit haar longen. Dit liet ze het ook merken merken met een kreet. Met een pijnlijke knal viel ze met haar knieën op de grond. Ze haalde haar handen uit naar voren om haar op te vangen. Pijn schoot door haar lichaam waardoor ze haar ogen samenkneep in de hoop de pijn te verzachten. Ze hapte naar adem totdat een tweede pijnscheut in haar onderbuik kwam opzetten. Ze kon de lucht niet meer in haar longen houden. En met een flinke kuch kwam de lucht samen met bloed uit haar mond. Bloed bleef vanuit haar mond op de grond druppelen. Haar ademhaling was pijnlijk, het koste haar moeite om haar knieën en armen te leunen.
"Kijk eens aan, er zijn dus nog wel sterfelijke op deze planeet" zei een minachtende stem voor haar. Ze hoorde iemand dichterbij komen. Toen ze een beetje opkeek zag ze de schoenen van het wezen. Langzaam ging haar blik omhoog. Een zwarte broek, een wit overhemd en twee scherpe hoektanden, die donkere ogen en lang grijs haar. Iedereen stond om hem heen. Het moest vast wel de leider zijn dacht ze. Ze keek in de ogen van de vampier en hij keek terug. Opeens greep hij haar bij haar nek en tilde haar omhoog. Snakkend naar adem werd ze opgetild totdat haar voeten vrij kwamen van de vloer. Ze voelde hoe haar lichaam leed onder deze greep. Ze kon de pijn niet meer onderdrukken en wou het liefst de pijn eruit schreeuwen. Maar de greep om haar nek hield dat stil. Er ontsnapte niet meer dan wat pijnlijke kreunen uit haar mond. Mary voelde zich erg kwetsbaar. Ze kreeg nog maar genoeg lucht om bij te blijven. Het werd steeds moeilijker voor haar om wakker te blijven. De vampier bekeek haar eens goed en draaide haar hoofd alsof hij ergens naar op zoek was.
Opeens liet de greep los en viel ze op de grond snakkend naar lucht. Langzaam aan ging het beter met haar. Ze probeerde langzaam overeind te komen en zette zich met haar armen af zodat ze op haar rug kwam te liggen. "We hebben haar gevonden in een schip buiten bij de ruines." Zei een van de anderen. "ze was niet alleen, er was nog iemand bij haar, maar die hebben we af moeten maken. Hij wou zich niet overgeven en had geavanceerde wapens" ging hij verder. (Carlos!) dacht ze. Tranen vulden haar ogen. (Carlos is dood) ging door haar gedachten, ze hield het niet meer. Een kreet van verdriet verliet haar mond.
"Wie heeft jou bevolen om iets te zeggen?" zei de leider van de wezens. Opeens voelde ze een harde klap op haar buik. De pijn, de angst ze kon het niet meer aan. "Zo zie ik jullie graag, kruipend over de vloer, precies waar jullie thuis horen." zei de leider en hij kwam naar haar toe. Met elke stap dat hij dichterbij kwam werd Mary steeds banger. Haar ademhaling werd sneller en toen de leider zijn arm uitreikte naar haar slaakte ze zelfs een kreet van angst en sloeg zijn hand weg.
Vol verbazing trok hij zijn hand weg en gebaarde twee andere om haar vast te houden. Twee andere kwamen dichterbij en pakte haar bij de armen vast en tilde haar omhoog. De kracht die ze gebruikte was groot en grof. Ze trokken bijna haar armen uit haar lichaam. Met een lichte pijnkreet stond ze uiteindelijk op. Vol met angst keek ze naar de leider die met zijn rug naar haar toestond. "Wees maar niet bang. We zullen je niets doen. Je bent te waardevol voor ons. Al jaren zochten we een nieuwe voedselbron. De onze die is uitgemagerd en verzwakt, maar jij…jij hebt vuur in je, leven! En blijkbaar ben jij een van de verlorenen" zei hij. En in een oogwenk stond hij met zijn gezicht voor de hare. Mary schrok zo hard dat ze het liefst twee meter in de lucht wou springen, maar de twee andere hielden haar stevig vast. "Je kan geen kant op, je bent van ons" zei hij. Ondanks dat ze in twee pikzwarte ogen keek zag ze de krankzinnigheid die huisde in de leider. "Ik ben van niemand" zei ze zachtjes. "wat zei je daar?" vroeg de leider. "Ik ben van niemand"Herhaalde ze dit keer met een wat duidelijkere stem. De Leider begon te lachen "Dus je bent van niemand" zei hij. "Nee!" zei hij en opeens stond hij voor haar dreigen met zijn tanden. " je bent van mij!" ging hij verder en hij legde zijn hand op haar wang. "Nee, alsjeblieft doe het niet" smeekte ze aan hem terwijl de tranen over haar wangen omlaag gleden. Hij keek haar aan "Ik wil weten hoeveel van de verlorenen nog leven. Jouw bloed verteld mij alles. En straks zul je me dankbaar zijn" zei hij en hij duwde met zijn hand haar hoofd opzij zodat haar hals uitgestrekt was.
Vol verbazing trok hij zijn hand weg en gebaarde twee andere om haar vast te houden. Twee andere kwamen dichterbij en pakte haar bij de armen vast en tilde haar omhoog. De kracht die ze gebruikte was groot en grof. Ze trokken bijna haar armen uit haar lichaam. Met een lichte pijnkreet stond ze uiteindelijk op. Vol met angst keek ze naar de leider die met zijn rug naar haar toestond. "Wees maar niet bang. We zullen je niets doen. Je bent te waardevol voor ons. Al jaren zochten we een nieuwe voedselbron. De onze die is uitgemagerd en verzwakt, maar jij…jij hebt vuur in je, leven! En blijkbaar ben jij een van de verlorenen" zei hij. En in een oogwenk stond hij met zijn gezicht voor de hare. Mary schrok zo hard dat ze het liefst twee meter in de lucht wou springen, maar de twee andere hielden haar stevig vast. "Je kan geen kant op, je bent van ons" zei hij. Ondanks dat ze in twee pikzwarte ogen keek zag ze de krankzinnigheid die huisde in de leider. "Ik ben van niemand" zei ze zachtjes. "wat zei je daar?" vroeg de leider. "Ik ben van niemand"Herhaalde ze dit keer met een wat duidelijkere stem. De Leider begon te lachen "Dus je bent van niemand" zei hij. "Nee!" zei hij en opeens stond hij voor haar dreigen met zijn tanden. " je bent van mij!" ging hij verder en hij legde zijn hand op haar wang. "Nee, alsjeblieft doe het niet" smeekte ze aan hem terwijl de tranen over haar wangen omlaag gleden. Hij keek haar aan "Ik wil weten hoeveel van de verlorenen nog leven. Jouw bloed verteld mij alles. En straks zul je me dankbaar zijn" zei hij en hij duwde met zijn hand haar hoofd opzij zodat haar hals uitgestrekt was.
"NEE!!NEE!!" Schreeuwde ze en ze probeerde zich nog los te wurmen. Ze kon de ademhaling al in haar hals voelen. "NEE!!" schreeuwde ze weer toen ze voelde hoe de scherpe hoektanden door haar huid beten. Ze voelde hoe de tanden door haar vlees gingen. Ze voelde hoe haar kracht, haar wil, haar leven wegebte. Met elke seconden voelde zich zwakker worden. De tranen liepen vloeiend over haar wangen. (laat me niet zo aan mijn eind komen) dacht ze. Ze raakte zo verzwakt dat ze door knieën zakte. De vampiers lieten haar armen los en de leider ving haar op terwijl hij nog bezig is met de laatste restjes van haar bloed op te drinken.
Zodra Mary het puntje stond te sterven hield hij op. Hij hield haar in zijn armen en keek haar aan. Mary keek verzwakt naar hem. Het was alsof hij haar leven in zijn handen hield. Ze zag zijn mond bewegen en langzaam kwamen de woorden door "Wil je blijven leven, wordt dan mijn vrouw. Beslis je dat niet te doen dan zuig ik je leeg en laat ik je dood achter." Zei hij. Mary wist het niet meer, ze voelde dat haar lichaam op het punt van sterven stond. Haar wil om te overleven was groot. "wat is je antwoord?" vroeg de leider. Mary keek hem aan, ze wist dat ze er spijt van zou krijgen, maar ze wou nog niet dood. Ze snakte naar adem en met een zachte stem zei ze zachtjes "j..ja….".
De leider sneed zijn pols open en hield die boven haar mond. "Hier…Drink ervan en je zult net als ons worden". Vol afschuw begon ze met drinken. Elke druppel dat ze dronk maakte haar sterker, haar afschuw maakte plaats voor de zoete smaak van deze lekkernij. Meer en meer dronk ze van de leider totdat hij er een halt toeriep. Ze voelde hoe het bloed dat ze gedronken had door haar lichaam verspreidde. Het voelde goed, ze voelde helemaal in orde, zelfs beter dan eerst.
Opeens kreeg ze een pijnscheut in haar buik, haar hoofd schoot er eventjes van omlaag. Ze keek verbaasd omhoog naar de leider. "Je lichaam kan de krachten niet aan, dus moet het eerst sterven" zei hij. Verward en met een angstige blik keek Mary hem aan. Een tweede pijnscheut schoot door haar rug, waardoor ze achterover op de grond viel. Haar hele lichaam begon te branden, de pijn. Een luide kreet verliet haar mond, terwijl de rest van het lichaam onder zware schokken aan het sterven was.
Ze had haar lichaam niet onder controle, haar armen lagen gekruist over haar buik en haar benen ingetrokken in de hoop om de pijn te laten stoppen. Maar het stopte niet, een tweede kreet verliet haar mond. Toen deze kreet gestopt was lag ze bewegingsloos op de grond.
Wordt vervolgd......






